District Six Kaapstad, 50 jaar geleden ontruimd en gesloopt, nu nog steeds leegstaand gebied

In 1966 wijst de apartheidsregering van Zuid-Afrika de Kaapstadse wijk District Six aan tot een ‘whites only area’. Alle niet-blanke bewoners moeten hun huizen verlaten en worden gedwongen in een township 25 tot 40 kilometer verderop te gaan wonen. Vrijwel alle huizen in Distrct Six worden afgebroken.

sociaal en solidair

In de tijd dat de regering tot ontruiming besluit, is District Six een gemeenschap van verschillende volken en culturen. Kleurlingen vormen de grootste groep. Maar er wonen ook veel blanken, zwarten en indiërs. Er leven verschillende maatschappelijke groepen naast elkaar. Arbeiders, intellectuelen, kunstenaars en politici wonen vlak bij elkaar of zelfs onder één dak. Er is tolerantie en respect voor elkaars politieke keuze en religieuze overtuiging.

Ook in welvaart zijn er verschillen. Er zijn rijke mensen, veelal de eigenaren van winkels en bedrijven in de wijk. Er zijn middenklassers, die er al van oudsher wonen. Maar een groot deel van de mensen in District Six is arm. Er is onder hen veel werkloosheid. Als er al iemand werk heeft, dan zijn dat klussen voor een appel en een ei. Niet veel verdiensten dus.

In District Six is de extended family een opvallend fenomeen. Van één familie wonen meer generaties (grootouders, ouders, kinderen, kleinkinderen) dicht bij elkaar, veel zelfs in één huis. Dit geldt voor bijna iedereen: de rijke, de midden-klasse en de arme families. De extended family is een vangnet voor wie het moeilijk heeft: ziek, geen werk of geen geld. De sociale controle is groot. Mensen voelen zich daardoor beschermd.

gang legend

In de loop van de tijd groeit in District Six de zogenoemde gang legend. Een cultuur van jeugdbenden, die van vrij onschuldig uitgroeit to hoogst crimineel, van weinig last van hebben tot het als een last ervaren. Het begint met arme jongeren van buiten de wijk, die op zoek zijn naar eten. Zij bedelen en pikken uit winkels. Ze werken veel alleen of in groepjes van hooguit drie. Later groeien die groepjes aaneen tot echte gangs, die winkels of mensen op straat beroven. Voor de bescherming van hun spullen vormen de eigenaren van winkels knokploegen, die optreden tegen de gangs.

De knokploegen werken met de politie samen en voelen zich daardoor vrij om hun eigen, in de praktijk criminele, dingen te doen. De politie knijpt als weder-dienst voor de hulp van de knokploegen alle ogen toe. Uit de knokploegen groeit een nieuwe gang, die uiteindelijk, met stille goedkeuring van de politie, de controle heeft over alle afpersingen, illegale handel, de eerste Kaapse drugs (dagga), smokkelpraktijken, shebeens (illegale bars) en gokhuizen in District Six.

sociale structuur kapot gemaakt

De gedwongen verhuizing van de bewoners van District Six naar de townships op de Kaapse Vlakte maakt sociaal veel kapot. De verhuizingen gaan per huishouden, dus hooguit twee ouders met hun kinderen. Grootouders en inwonende getrouwde kinderen hebben hun eigen verhuizing. Dit betekent dat extended families uit elkaar worden getrokken en op (grote) afstand van elkaar komen te wonen.

De huizen, die de mensen in de Kaapse Vlakte betrekken, zijn weliswaar moderner dan wat ze in District Six achterlaten, maar niet echt groter. De omvang van een woning is toegesneden op de grootte van een gezin op het moment van verhuizing. Groei van gezinnen zal toch weer gaan knellen.

Het achterlaten van het toenemende geweld van gangs in District Six vinden veel mensen een prettige bijkomstigheid van de verhuizing. Maar uiteraard verhuizen de gangs mee naar de townships. Die bestaan immers uit de jeugd van District Six. Dus de criminaliteit gaat gewoon door, maar veel heftiger dan voorheen. Bendeoorlogen, met veel vuurwapengeweld, en drugshandel worden deel van het leven in de townships.

moeizame herbouw

De herbouw van District Six met woningen komt nauwelijks op gang. De gemeente Kaapstad maakt weliswaar de nodige plannen, maar private ontwikkelaars, die de plannen moeten uitvoeren, durven hun vingers niet aan het gebied te branden. Door alles wat er is gebeurd, met name de deportatie-praktijken, is het gebied besmet geraakt. Dat maakt wel de weg vrij voor de bouw van universiteitsgebouwen, door de overheid zelf, in de jaren 1980. In het ontwerp van het universiteitscomplex is geen rekening gehouden met het oorspronkelijke stratenpatroon van District Six. Herbouw van woningen volgens het oude stratenplan is daardoor lastig zo niet onmogelijk geworden.

Na de apartheid doet Nelson Mandela als president persoonlijk de belofte dat District Six in de oorspronkelijke staat voor de oorspronkelijke bewoners wordt herbouwd. De oude bewoners krijgen de gelegenheid om via een zogenoemde grondclaim hun recht op terugkeer kenbaar te maken. In totaal melden zich 2.500 huishoudens (uit de oorspronkelijk 3.500 woningen).

Sinds de toezegging van Mandela in 1994 is een deel van de mensen, die recht hebben op terugkeer, inmiddels overleden. De anderen zijn nu, in 2017, oud (uiteenlopend van 80 tot 110 jaar). Toch houdt een flink aantal de hoop op terugkeer vast. Maar er zijn er ook die beslist niet terug willen. Zoals één van hen zegt: “Alles wat vertrouwd was –gebouwen, vrienden, familie, sfeer- is verdwenen. Je bouwt nooit het zelfde terug”.

Er worden weer veel plannen gemaakt. Allemaal met de bedoeling het oude District Six terug te laten keren. Geen van die plannen wordt volledig uitgevoerd. Er worden huizen gebouwd, maar dat zijn er in totaal nog geen 200. Wel krijgt de universiteit nog een uitbreiding.

leegstaand gebied

District Six is nu een groot leegstaand gebied. Zoals ik hiervoor schrijf, er zijn hooguit 200 woningen gebouwd. Het universiteitscomplex is gebouwd, het eerste deel nog tijdens de apartheid, de uitbreiding na de apartheid.

Bijna 50 jaar na de start van de gedwongen verhuizingen, 35 jaar na de voltooide sloop, ruim 20 jaar na het einde van de apartheid.

Stemmen in het buitenland, weer een bijzondere ervaring

Nu wij niet in Nederland wonen, maar ons met onze paspoorten nog wel Nederlander mogen noemen, hebben we nog steeds Nederlands stemrecht. Niet voor de gemeente of de provincie, omdat we nu eenmaal niet in een Nederland-se gemeente of provincie wonen. We mogen wel stemmen voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement en bij landelijke referenda.

Stemmen in het buitenland gaat heel anders dan als je gewoon in Nederland woont. Je zou denken, dat er best een veilige manier is te bedenken om dat via internet te doen. Tenslotte doe je dat ook met je bankzaken en de belasting-aangifte. Maar nee, door wat angstnieuws is Nederland bang geworden voor elektronisch stemmen en sluit onze regering voorlopig iedere moderniteit op dat gebied uit.

Als je als Nederlander in het buitenland woont, zie je ca. een half jaar voor de verkiezingsdatum op wat willekeurige websites cookies van de Nederlandse rijksoverheid verschijnen, met de oproep om je als kiezer te registreren. Ja, dan kan internet weer wel, nota bene met cookies. Waarom registeren? Ik denk, ik heb een Nederlands paspoort, dus jullie weten toch dat ik besta? Stuur dan gewoon een stembiljet. Blijkbaar iets te eenvoudig gedacht.

Wij printen van een speciale website (jawel, alweer internet) een formulier, vullen dit in (moet met de hand), scannen het en sturen het weer met een mail terug. Dan een retourmail met de bevestiging van inschrijving. Een paar maanden later komen over de post, wat ze noemen, de stembescheiden. Dat is een formulier, dat je moet tekenen, een witte enveloppe en een oranje enveloppe. Via de mail (inderdaad, internet) krijg je een maand voor de verkiezingsdatum een stembiljet.

Het stembiljet ziet er anders uit dan de enorme vellen in Nederland. Een A4-tje met alle partijen met lijstnummers. En een nummerlijst, waar je de kandidaat van je voorkeur kan aangeven. De kandidatenlijst is echter zonder namen. Die moet je op de speciale website opzoeken (internet dus), het nummer onthouden en op je stembiljet het rondje naast dat nummer inkleuren. Ook moet je het rondje bij de partij van je voorkeur inkleuren.

Als je hebt gestemd doe je het stembiljet in de witte enveloppe. Deze doe je met het getekende formulier in de oranje enveloppe en die stuur je door jezelf gefrankeerd naar het daarop vermelde stembureau. In ons geval is dat de ambassade in Pretoria.

Omdat de post in Zuid-Afrika nogal traag is, hebben wij op 1 maart al gestemd. En wij hebben de oranje enveloppen aangetekend verstuurd. Er mag immers geen stem verloren gaan.

Er is nogal wat te doen over deze manier van stemmen. Het is ingewikkeld en afhankelijk van de luimen in een land. Nu wonen wij in een nogal modern land, maar toch moeten wij al rekening houden met de trage post van Zuid-Afrika. Er zijn best wat Nederlanders die afgelegen wonen, bijvoorbeeld mensen in ontwikkelingswerk. Zij zien pas hun post als ze hun postbus legen, veelal op honderden kilometers afstand van hun woonplaats. En ze komen echt niet iedere week bij hun postbus. Dus de stembescheiden kunnen veel te laat bij die mensen aankomen, soms zo laat dat er niet eens tijd meer is om te stemmen. Ik zou hels zijn, als mij dat overkomt.

Wij hebben dus al gestemd en moesten daardoor al vroeg stoppen met zweven. Ik kijk nog steeds op televisie en internet naar programma’s over de verkie-zingen en vraag me af of ik nog niet wat langer had mogen zweven, al is het bij mij maar tussen twee partijen.

Stemmen in het buitenland, weer een bijzondere ervaring.

Informeel wonen in Zuid-Afrika

Je kent ze misschien wel. Als je buiten Europa hebt gereisd of van de televisie of uit films. Van die grote hoeveelheden krotten bij elkaar, waar de armste mensen van een land wonen. Je ziet ze vanaf de weg. Zo ook in Zuid-Afrika. Als je bijvoorbeeld met de auto de luchthaven van Kaapstad afrijdt.

Bij Kaapstad zijn de krottenwijken onderdeel van de townships. Deze wijken noemen ze hier informal settlements, de krotten heten shacks. Een informal settlement ontstaat spontaan. Mensen bouwen een shack van bij elkaar gevonden spullen (zoals platen hout en ijzer). Ze doen dit op ongebruikte stukken grond. Het begint met één shack, een tweede, een derde tot er honderden of soms zelf duizenden staan en zo dus een informal settlement vormen.

Stromend water en sanitair is er niet in een shack. Daarvoor heeft de overheid op enkele punten gezamenlijk te gebruiken kranen, wc’s en douches geplaatst. Elektriciteit neemt men van de straatlampen. Die lampen hangen aan hoge palen. Er loopt een web aan draden van de lamppalen naar de shacks. Niemand in een informal settlement betaalt voor het gebruik van shack, water, wc en elektriciteit.

De bewoners van de informal settlements wonen daar omdat ze tijdens het lange wachten op een echt huis inmiddels kinderen hebben gekregen en bij hun familie geen plek meer is. Of mensen wonen er omdat ze van elders uit Zuid-Afrika of van andere Afrikaanse landen komen op zoek naar werk in Kaapstad.

De overheid houdt regelmatig acties om een informal settlement te ontruimen en te verwijderen. Voor de grond, waarop de settlement staat, zijn dan bouw-plannen die moeten worden uitgevoerd. Waar de bewoners heen gaan, is niet altijd duidelijk. Sommigen kunnen een huis van de overheid krijgen, de meeste mensen moeten het maar zelf uitzoeken. Ze komen dan weer in een ander informal settlement terecht. In een net leeggekomen shack of ze bouwen er zelf snel één. Als de eigenaar van de grond niet meteen met de bouwwerkzaam-heden begint, dus direct na de sloop van de shacks, is de kans groot dat het terrein de volgende ochtend weer vol staat met shacks.

Naast de informal settlements is er nog een vorm van informeel wonen in Zuid-Afrika: de backyard dwellings. Dit zijn ook shacks, maar in de achtertuinen van stenen woningen.

De township is een uitvinding van het apartheidsregime. Bedoeld voor de kleurlingen en zwarten, die uit de blanke delen van de stad werden verdreven. In de eerste townships werden alleen grote complexen flats gebouwd. Later is men overgegaan tot laagbouw. De gedachte hierachter was dat in de woonkazernes gemakkelijk sociale onrust kan ontstaan. De laagbouwwoningen wilde men bovendien als koopwoningen bouwen. Vanuit de redenering dat een eigen woning van de bewoners meer verantwoordelijkheid vraagt. De bewoners van de laagbouwwoningen hebben inderdaad hun verantwoordelijkheid genomen, maar anders dan het toenmalige regime had bedacht.

De laagbouwwoningen staan op ruime kavels. De overheid bouwt een standaardwoning, die maar beperkt van omvang is. Als de bewoners daaraan behoefte hebben, hebben ze de ruimte voor uitbreiding. Er zijn maar weinig mensen die dat op die manier opvatten. Ondanks dat veel mensen in hun woning in bezit hebben, hebben ze maar een heel laag inkomen. Veel zijn werkloos en hebben een lage of helemaal geen uitkering. Wie werk heeft, heeft maar een klein salaris. Daarom zien mensen de kans voor extra verdiensten in het bouwen van één of meer shacks in de achtertuin. Soms wordt elektriciteit en water er bij geleverd, maar is in ieder geval beschikbaar in de hoofdwoning, wat een groot voordeel is ten opzichte van de informal settlements.

Voor een backyard dwelling wordt wel huur betaald, een belangrijk verschil met een shack in de informal settlements. Hiervoor hebben de bewoners inkomen uit werk nodig. Wat een bijzondere paradox oplevert met de bewoners van de hoofdwoning, waarvan de meeste werkloos zijn.

Naast de verschillen hebben de backyard dwellings en de shacks in een informal settlement één belangrijke overeenkomst: de kwaliteit van de huisjes. Deze is abominabel. Het gaat in vrijwel alle gevallen om één ruimte voor alle activiteiten in huis: koken, eten, slapen, wassen en nog zo wat. De constructie van een huisje zit slecht in elkaar. Bij regen zijn er grote lekkages, bij wind staat het hele bouwwerk te schudden.

Dit is informeel wonen in Zuid-Afrika.

Zuid-Afrika is een vrij land

Er is veel kritiek op hoe het nu allemaal in Zuid-Afrika gaat. De apartheid is al meer dan 20 jaar geleden opgeheven. Toch zijn er nog steeds grote verschillen tussen de rijke blanken en de arme zwarten. Het onderwijssysteem is slecht. De criminaliteit is groot en geweldadig. De ANC-regering is corrupt. En zo kan je nog wel even doorgaan. Allemaal niet goed, maar er is één ding wat haast niet kapot kan. Zuid-Afrika is een vrij land. Iedere vowassene heeft een stem en iedereen mag zeggen en schrijven wat hij of zij vindt.

Peter Bruce is een columnist in de Zuid-Afrikaanse Sunday Times. Hij is zeer kritisch op wat er in Zuid-Afrika gebeurt. Zijn commentaren op president Zuma en zijn regering zijn niet mals. Dit wetende is een column van een paar weken gelden wel heel opmerkelijk. Peter Bruce geeft daarin zomaar een lofzang op Zuid-Afrika, als een land waarin de Zuid-Afrikanen in vrijheid leven.

Er gaat veel mis, schrijft Bruce, maar we weten er van omdat de kranten er over schrijven. Die blijven het onder de aandacht houden tot politiek bestuurders er wat over zeggen, tot het tot een onderzoek komt, tot er een rechtszaak van komt, tot de rechter heeft gesproken. Hiermee zegt hij dat politici wel denken dat ze de wijsheid in pacht hebben en daarmee het beste met de burgers zeggen voor te hebben. Maar ze vergeten dat ze het ook wel eens verkeerd kunnen doen, dat ze soms eerst aan zichzelf denken en dan pas aan de burgers. Dan is er de pers om dat bekend te maken.

Peter Bruce is een lange tijd hoofdredacteur (geweest) van een aantal kranten in Zuid-Afrika. Al die tijd was het ANC al aan de macht. Soms vragen mensen hem of hij geen last heeft met politici over wat hij schrijft. Nooit, is zijn antwoord.

Er zijn regelmatig demonstraties tegen de president. Zo voeren studenten acties om de colleges aan de universiteit gratis te maken onder de leuze “Fees Must Fall”. Omdat Zuma daarop niet regaeert is de leuze nu “Zuma Must Fall”. Ook daarop reageert hij niet: hij treedt niet af, maar hij treedt ook niet op. Demonstreren en actie voeren behoren tot de grondrechten van Zuid-Afrika.

Net als Nederland kent Zuid-Afrika inmiddels een rijke cultuur van discussie en overleg. Ook hier wordt niet ieder voorstel van het politiek bestuur door burgers voor zoete koek aangenomen. Er zijn veel inspreekavonden, waar het hard kan toegaan. Ik ken een wethouder die, toen we een morgen ergens koffie zaten te drinken, hij er nog uitgeput bij zat van de avond er voor. Hij had een bijeenkomst met bewoners van een wijk, waarvoor hij bouwplannen had. Werkelijk iedereen in de zaal, meer dan 100 mensen, deed mee. Op hoge en luide toon. De wethouder paste na die avond zijn plannen aan en toen was het geen probleem meer. De gemeenteraad heeft de voorstellen goedgekeurd.

Bruce vergelijkt Zuid-Afrika met enkele andere landen. China, waar ze niet te beroerd zijn om de geschiedenis te herschrijven. Argentinië, waar de president de statistieken laat aanpassen. En, denk ik dan, voeg daar maar gerust Brazilië en het Rusland van Poetin aan toe. En wat te denken van dat “great” Amerika, die de hele wereld wil vertellen wat democratie is, maar waar nu de alternatieve feiten opgang doen? Waar Trump van zijn regeren een zooitje maakt? Net als in Amerika is er in Zuid-Afrika nog steeds een vrije pers, die wat niet goed gaat aan de kaak stelt. En de ANC-regering accepteert dat, zoals het hoort.

Peter Bruce sluit zijn column af door te stellen, dat “het een feit is dat de Zuid-Afrikanen een glorieuze, luidruchtige, argumenterende, strijdbare en open democratie vormen. En kenmerkend is dat, ondanks dat Zuma wordt beschuldigd voor heel veel wat hij onwettig heeft gedaan, hij nooit heeft geprobeerd om de kern van de democratie aan te tasten.” Zuma probeert wel om het spel zo te spelen dat hij er voorlopig gunstig vanaf komt. Maar hij zal er volgens Bruce nooit in slagen om er mee weg te komen. We zullen zien, als Zuma president af is.

Zeggen, schrijven en stemmen wat je wilt. Zuid-Afrika is een vrij land.

Ondernemen in Zuid-Afrika: een wereld van verschillen

Laatst weer een staaltje meegemaakt hoe ondernemers in Zuid-Afrika met elkaar kunnen omgaan.

Wij hebben best een grote tuin en voor grote klussen doen we regelmatig een beroep op anderen. Zo wordt eens in de twee tot drie weken het gras gemaaid door een ploeg van zes mensen, die er met een maaitractor en maaischijven in een kwartier doorheen gaan. Ik noem ze Anrie en haar Grasshoppers. Omdat het in de zomer nauwelijks regent, moet de tuin intensief worden besproeid. Drinkwater is hier schaars, dus is het besproeiingsysteem aangesloten op een grondwaterput. Dat systeem vereist regelmatig onderhoud, wat een daarin gespecialiseerd bedrijf voor ons doet. Dat van Pieter Dutoit (niet op zijn Frans uitspreken, maar de oi echt als een oi).

Aan de rand van de tuin staan hoge beefwood bomen. Dit zijn slanke naaldbomen, die wel 40m hoog kunnen worden. Ze schermen je tuin af tegen de wind, maar ontnemen ook het zicht op de omgeving. Maar erger is, ze nemen veel water op en de wortels verdringen andere planten. Het zijn voor Zuid-Afrika ook geen inheemse planten. Ze zijn, bijna letterlijk, over komen waaien uit Australië. Omdat de overheid van Zuid-Afrika een beleid voert om niet-inheemse planten zoveel mogelijk af te laten nemen, heb je geen kapvergunning nodig om ze te verwijderen.

Wij willen meer zicht op de bergen rond ons dorp. Wij vinden de beefwood bomen niet mooi. En we willen de er naast staande bomen en struiken meer tot hun recht laten komen. Dus besluiten we om de beefwoods te laten kappen. We vragen daarvoor het bedrijf Tree Monkeys van Gary Steyn. Gary stelt voor de bomen neer te halen, de stammen en takken tot brandhout te verzagen en het restant af te voeren naar het vuilstation. Het kappen en verzagen doet Gary zelf, voor het restafval vraagt hij iemand met een vrachtwagen. Lijkt ons een goed plan.

Afgelopen maandag en dinsdag is de klus geklaard. Nu ja, door Gary en zijn Tree Monkeys dan. De man met de vrachtwagen is wat in gebreke gebleven. Nu ken ik deze man. Het is Dries, die de vorige zomer ons besproeiingsysteem in orde heeft gemaakt. Toen vond ik hem al niet zo bijster zakelijk. Al in september vroeg ik hem het werk te doen, pas in december (midden in de warmste en droogste zomer in jaren) was hij klaar. En al die maanden ervoor konden wij niet sproeien, wat Dries niet leek te kunnen schelen. Dus dit jaar hebben we een ander in de hand genomen voor het onderhoud aan het besproeiingsysteem (Pieter dus).

Tijdens het kapwerk begint Gary steeds meer op Dries te mopperen. Dries heeft de vrachtwagen langs gereden, maar gaat met een andere auto weer weg. Gary belt hem als de vrachtwagen vol is, maar Dries komt niet. De hele nacht er na staat de vrachtwagen volgeladen voor ons huis. De volgende morgen komt Dries weer langs, neemt de vrachtwagen mee om te legen, zet hem voor de deur en verdwijnt weer. De vrachtwagen is daarna weer snel gevuld met het kapafval, maar Dries is in geen velden of wegen te bekennen. Gary ziet het met lede ogen aan en wordt steeds chagrijniger. Hij probeert de hele dag Dries te bellen, maar krijgt geen contact. Tot het werk van Gary en zijn mannen klaar is. Dan komt Dries weer, neemt de volle vrachtwagen mee en brengt hem leeg terug.

Dries gaat op de bak staan en kijkt met vragende ogen naar de mannen van Gary. Hij lijkt te zeggen: willen jullie mij komen helpen? In tegenstelling tot de vorige ritten heeft Dries nu geen eigen mannen mee. Gary’s mannen lopen langzaam, vermoeid na een hele dag bomen klimmen en kappen, naar de stapel afval en beginnen met laden. Dries valt dan ongemeen fel tegen ze uit, ik hoor niet wat hij zegt maar wel dat hij het op een onbeschofte manier doet. Gary ziet het gebeuren en loopt boos naar Dries toe. De twee mannen schelden tegen elkaar. Als climax gooit Gary een glas cola over Dries uit. Dries is dan echt woedend, rijdt met zijn vrachtwagen op Gary’s auto af, maar weet op tijd te stoppen.

Dan vraagt Dries aan mij om nu direct zijn aandeel in het werk te betalen. Ik antwoord dat ik dit keer met Gary zaken doe, dus dat ik Gary betaal en niet Dries. Dries kijkt me heel boos aan en rijdt weg met achterlaten van de grote stapel afval. Gary belooft me zo snel mogelijk een andere vrachtwagen te regelen. En jawel, na een kwartier komt er één aanrijden en in twee ritten is alles weg.

Ondernemen in Zuid-Afrika. Het is toch wel een wereld van verschillen. Je hebt ondernemers, die duidelijk niet weten wat zakelijk handelen is (Dries bijvoorbeeld). Je hebt ook ondernemers, die juist heel zakelijk handelen (Gary bijvoorbeeld). Maar ze zijn ook niet te beroerd om openlijk bij de klant haast hardhandig ruzie te maken (Dries en Gary bijvoorbeeld).

De verhaaltjes van kleurlingen in Zuid-Afrika

De verhaaltjes van John en Martha in mijn vorige twee blogs zijn voorbeelden van de vertelkracht van de kleurlingen in Zuid-Afrika. De verhaaltjes vertellen niet de waarheid, ze verhullen de minder leuke werkelijkheid. Voor John is het een manier om aan extra geld te komen. Voor Martha om de persoonlijke aandacht te krijgen die ze denkt te missen.

De verhaaltjes van kleurlingen kunnen ook gewoon leuk zijn. Het gaat dan om anekdotes van wat mensen in het leven meemaken. Nogal aangedikte verhalen om het smeuiger te maken, waardoor de overeenkomst met wat werkelijk is gebeurd soms ver is te zoeken. Verhaaltjes vertellen is ook een manier om te ontsnappen aan de werkelijkheid van armoede en achterstelling. Net doen of het gewoon goed gaat. Het is een vorm van spelen met de waarheid, waarin kleurlingen erg goed zijn.

Natuurlijk zijn de Zuid-Afrikaanse kleurlingen niet het enige volk in de wereld, dat speelt met de waarheid. Maar zo langzamerhand weten politiek bestuurders er ook goed weg mee. Nu waren er altijd al politici, waarvan er een ernstig vermoeden was dat ze aan het liegen waren. Alleen dat was nogal eens lastig te bewijzen. President Nixon was er zo één, waartegen een afzettingsprocedure moest worden gevoerd om zijn leugens over zijn betrokkenheid bij Watergate aan te tonen.

President Trump pakt het wat dat betreft een stuk eenvoudiger aan. Natuurlijk ontkent hij dat hij liegt. Sterker, hij wijst overduidelijk bewijsmateriaal, zoals de foto’s van de opkomst bij zijn inauguratie en die van Obama, af en heeft het over alternatieve feiten. Ja, zover waren de kleurlingen in Zuid-Afrika nog niet.

Maar goed. Ook de Nederlandse politiek kan er wat van. Een lid van de Tweede Kamer, Art van der Steur, helpt zijn parijgenoot-minister, Ivo Opstelten, met het beantwoorden van de vragen die hij zelf heeft gesteld. Als hij dan zelf minister is, ontkent hij eerst het bestaan van de bewuste mail. Dan zegt hij dat de mail toch allang bekend is. Terwijl niemand buiten de regering die mail ooit eerder heeft gezien. En de minister-president, Mark Rutte die toch echt bekend staat als een control freak, zegt helemaal van niets te weten. Ondertussen stuurt Rutte Van der Steur zo aan, dat de minster aftreedt om de minster-president, cq lijsttrekker voor de grootste partij bij de komende Tweede Kamer-verkiezingen, uit de wind te houden. Maar dat is niet met de waarheid spelen, dat noemen we met de politiek spelen.

Verhaaltjes vertellen, met de waarhied spelen, liegen. Het is kennelijk deel van de samenleving geworden. De kleurlingen in Zuid-Afrika beheersen die kunst allang, maar of zij nu de trend voor de hele wereld hebben gezet……

De verhaaltjes van Martha uit Zuid-Afrika

Martha is in Zuid-Afrika zorgverlener voor oude mensen die niet meer helemaal op zich zelf kunnen wonen. Martha werkt bij een bejaarde buurvrouw van ons, Loraine van der Merwe. Martha vertelt Loraine veel over het leven bij haar thuis. Zij is niet bepaald rijk, maar kan redelijk rond komen. Martha heeft met mevrouw Van der Merwe een werkcontract. Zij komt er vijf dagen in de week, doet de boodschappen, regelt de medicijnen, helpt mevrouw met wassen en aankleden en organiseert allerlei activiteiten voor haar. Martha mag de auto van Loraine besturen, omdat mevrouw zelf van haar kinderen niet meer mag rijden. Die vinden haar daarvoor te oud geworden.

Op een dag belt Martha, helemaal over haar toeren, naar Loraine. De zoon van Martha is al een paar dagen zoek. Deze woont bij vrienden op een boerderij. In één van haar vele verhalen over haar gezin heeft Martha al eens laten doorschemeren dan haar zoon homoseksueel is, nog steeds een taboe bij kleurlingen. Martha vermoedt dat de vrienden van haar zoon hem in elkaar hebben geslagen en dat haar zoon gevlucht is. Zij is over haar toeren, omdat de politie zojuist gebeld heeft met de boodschap dat ze waarschijnlijk haar zoon dood hebben gevonden. Of Martha naar het bureau kan komen voor identificatie. En, zegt zij tegen mevrouw Van der Merwe, kan zij voorlopig niet komen werken. Als we dit verhaal van mevrouw Van der Merwe horen, doen we dit met verbazing. Een homo, die bij vrienden woont die homohaters zijn? Lekkere vrienden. Via de telefoon vertelt de politie dat ze je zoon dood hebben gevonden? Je moet zelf naar het politiebureau gaan voor identificatie? Zelfs in Zuid-Afrika maken ze het niet zo bont. Dan komt de politie toch tenminste naar je huis toe om het slechte nieuws te vertellen. Als Martha weer op haar werk verschijnt, vraagt mevrouw Van der Merwe hoe alles de afgelopen week is gegaan. Oh, ze was op het politiebureau, maar het was niet haar zoon. Overvallen door deze mededeling vergeet mevrouw te vragen wat er dan met zoonlief is gebeurd.

Een paar maanden later vertelt Martha aan mevrouw Van der Merwe dat haar man ernstig ziek is. Hij heeft kanker, moet regelmatig voor behandeling naar het ziekenhuis, en Martha moet dan natuurlijk mee. Dus moet ze regelmatig verzuimen. Dat duurt vervolgens een paar maanden, waarin volgens Martha de situatie van haar man steeds slechter wordt. Steeds meer moet ze met hem van ziekenhuis naar ziekenhuis voor steeds weer een andere behandeling. Ze komt zelfs een paar keer bij een hospice. Want hij is op sterven geraakt. Het verzuim van Martha neemt in die tijd toe. Als Loraine ons dit verhaal vertelt, vragen wij ons meteen af of het wel klopt. Vooral de gang naar een hospice verbaast ons. Daar ga je toch maar één keer heen, als het einde heel dichtbij is? Ook in Zuid-Afrika werkt dat zo.

Op een dag laat Martha zich ontvallen dat ze met haar familie naar het strand is geweest, op dagen dat ze had verzuimd om haar man bij te staan. Dan gaan bij veel mensen de alarmbellen af. De kinderen van Loraine van der Merwe vragen een arbeidsjurist om advies. De jurist checkt bij de ziekenhuizen en het hospice, die Martha in haar verhalen heeft genoemd, of zij daar inderdaad met haar man is geweest. Bij geen blijkt dat het geval. De jurist zet namens mevrouw Van der Merwe een ontslagprocedure voor Martha in gang. Al na een week is Martha haar werk kwijt. Zij gaat nog in beroep tegen haar ontslag, maar de beroepscommissie komt een zaak als deze wel al te bekend voor. Loraine van der Merwe heeft nu een contract bij een uitzendbureau van zorgverleners afgesloten.

Net als voor John, uit de blog van vorige week, is voor Martha spelen met de waarheid deel van het leven. Ook zij is zich er niet van bewust dat het gewoon om liegen gaat. Tijdens de ontslagprocedure is ze er nog steeds van overtuigd, dat ze niets verkeerds heeft gedaan.

(De verhaaltjes zijn echt door een zorgverlener met een andere naam verteld)

De verhaaltjes van John uit Zuid-Afrika

John is een tuinman. Hij doet af en toe klussen in onze tuin. John is een rustige en vriendelijke man en vertelt regelmatig over wat hij meemaakt. Hij woont in de township bij ons dorp, is getrouwd, heeft kinderen, die inmiddels ook zijn getrouwd en hun eigen kinderen hebben. Ik schat John in de 40, maar ik weet dat bij sommige bevolkingsgroepen in Zuid-Afrika de vermenigvuldiging snel gaat. Dus dat hij al opa is, verbaast ook weer niet.

Als John een paar keer bij ons heeft gewerkt, vertelt hij dat hij over een paar dagen een begrafenis heeft in het dorp waar zijn vrouw vandaan komt. Dat dorp ligt in de Karoo, midden in Zuid-Afrika en een paar honderd kilometer van ons dorp vandaan. John heeft geen rijbewijs, laat staan een auto. Je kan met een taxibusje van ons dorp naar het dichtstbijzijnde station, dan met de trein, en weer met een taxibusje. Dat duurt bij elkaar een dag, dus kost het John minstens één overnachting. Hij vraagt of wij hem geld kunnen lenen. Hij zal dat terug betalen, zodra hij het geld bij elkaar heeft gespaard. Omdat we weten, dat in Zuid-Afrika van een dergelijke lening zelden iets wordt terugbetaald, zeggen we nee. Maar, we willen ook weer niet lullig zijn, en bieden John aan een bijdrage te doen in de kosten. Dan moet hij aan anderen ook een bijdrage vragen. Dat vindt hij een goed idee en neemt het geld graag aan. De volgende keer, wanneer hij er weer is, vragen we John hoe de reis was verlopen. Oh goed, zegt hij, ze konden met iemand meerijden. Ik vroeg nog, heel naïef, of de bestuurder het geld heeft gekregen. Nee, want hij zou toch die kant op gaan, waarom moet je dan betalen?

Een volgende keer vertelt John dat zijn mobieltje is gestolen. Er was in zijn huis ingebroken. En daarbij hebben ze behalve zijn telefoon ook de DVD speler meegenomen. Gelukkig hebben ze de televisie laten staan. Ik vraag hoe oud die televisie is. Oh, iets van 20 jaar, maar doet het nog goed. Ja, zeg ik, die is gewoon te zwaar om zomaar mee te nemen. John knikt begrijpend. Hij vraagt of we hem nu wel geld kunnen lenen, om een nieuwe telefoon te kunnen kopen. Denkend aan het begrafenisgeval, zeggen we opnieuw nee. We zeggen John toe om over een oplossing na te denken. We hebben nog oude goedkope telefoontjes liggen, die hij zou kunnen hebben. Maar, dat telefoontje dat gestolen is, was ook een oud telefoontje van ons. We besluiten nog even niet op het verzoek van John in te gaan.

Een paar dagen later spreken we de buren, waar John ook werk doet. Hij komt daar al een paar jaar, dus deze mensen kennen hem wat beter dan wij. We vertellen van de begrafenis en de inbraak bij John. Ach, zeggen ze, die begrafenis was er helemaal niet. En zijn vrouw komt ook uit Tulbagh. John heeft gewoon geld nodig en verzint er een min of meer geloofwaardig verhaal bij. En die inbraak? Was er ook niet. Hij heeft het mobieltje gewoon verkocht, ook om wat geld te hebben. De buren vertellen dat John graag met de waarheid speelt om aan geld te komen. En als je daarop ingaat, is dat voor hem mooi meegenomen. Ga je er niet op in, ook goed. Spelen met de waarheid is deel van zijn leven, en hij is er zich niet eens van bewust dat het gewoon om liegen gaat.

(De verhaaltjes zijn echt door een tuinman met een andere naam verteld)

Siegfried Nassuth en de Bijlmermeer

Afgelopen december waren wij een paar weken in Nederland. Net in die tijd kwam het boek De Betonnen Droom van Daan Dekker uit. Het gaat over de levensgeschiedenis van de stedenbouwkundige Siegfried Nassuth en over zijn levenswerk, de Bijlmermeer. Ik heb het boek meteen gekocht en met boven-gemiddelde interesse gelezen.

Ik voel me betrokken bij de Amsterdamse wijk Bijlmermeer. Ik heb er gewoond en ik was er actief in verschillende bewonersgroepen. Ik heb gewerkt voor het stadsdeelbestuur van Zuidoost (waar de Bijlmermeer onder valt). Daarvóór werkte ik bij de dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam, de organisatie waar het stedenbouwkundig ontwerp voor de Bijlmermeer is gemaakt. Ik heb ook met verschillende mensen, die in het boek worden genoemd, gewerkt.

In de tijd dat de bouw van de Bijlmermeer van start ging (eind jaren 1960), was er veel publiciteit over wat de Stad van de Toekomst werd genoemd. Ik las er over in Het Parool. Ik was onder de indruk van het ontwerp en de principes achter het ontwerp: strakke hoogbouw, een nadrukkelijke scheiding tussen het autoverkeer en de fietsers en voetgangers, parkeergarages, parkgroen en het metroviaduct. Ik zat toen op Spinozalyceum in Amsterdam. Ik hield op school spreekbeurten en schreef scripties over de Bijlmermeer. Vanuit Amstelveen, waar ik woonde, ging ik regelmatig op de fiets naar de Bijlmermeer om rond te kijken. Wat een verschil was dat met de huisjes, boompjes en beestjes in Amstelveen!

Toen ik op mij zelf wilde gaan wonen, kon ik een flat in de Bijlmermeer krijgen. Dat trok me wel. En dat was vooral uit praktische overwegingen. In die tijd moesten jongeren in Amstelveen 7 jaar op de wachtlijst voor een huis. Dus de keuze voor de Bijlmermeer was snel gemaakt.

Bij de dienst Ruimtelijke Ordening werkte ik als planologisch onderzoeker. Ik was daar lid van de zogenoemde fietsclub, een groep collega’s die het leuk vond om in hun vrije tijd gezamenlijk fietstochten te maken. Daan Dekker schrijft er over in zijn boek. Siegfried Nassuth fietste ook altijd mee en ik heb hem zo leren kennen. Ik vond het altijd een bijzonder aardige man. Van Siegfried heb ik er nooit iets over gehoord, maar via anderen wist ik dat hij was opgegroeid in het voormalig Nederlands Indië en dat hij als krijgsgevangene van de Japanners in de Tweede Wereldoorlog aan de Birmaspoorlijn had gewerkt. Daan Dekker verhaalt uitgebreid over die tijd, waardoor ik nu een duidelijker beeld van Siegfried heb.

Bij de stadsdeelorganisatie van Zuidoost was ik onderzoeker en projectleider. Ik werkte o.m. aan projecten om de leegstand en de sociale problemen in de Bijlmermeer tegen te gaan. Die projecten hebben later geleid tot de groot-schalige vernieuwing van de Bijlmermeer, waarbij veel van de oorspronkelijke hoogbouwcomplexen zijn vervangen door meer traditionele bouwvormen.

Ondanks dat ik van het stedenbouwkundig ontwerp onder de indruk was, en er met plezier heb gewoond, heb ik toch altijd een dubbel gevoel bij de Bijlmermeer gehad.
Aspecten, zoals zoveel mogelijk mensen laten wonen in het groen en de scheiding van het autoverkeer van de rest, spraken me aan. Siegfried Nassuth en zijn ontwerpteam vonden dat niet alleen de rijken in Het Gooi en Aerdenhout in het groen mochten wonen. Dat moest ook voor de arbeiders en de mensen uit de middenklasse in de stad mogelijk zijn. En de opkomst van de auto in de jaren 1960 moest volgens de ontwerpers goed georganiseerd worden.
Daarentegen zag ik ook wat de Bijlmermeer minder aantrekkelijk maakte. Waarom zoveel (13.000) dezelfde woningen in één gelijke hoogbouwvorm? Waarom leek ieder stukje van de Bijlmermeer op al die andere stukjes, waardoor je snel verdwaald kon raken? De verkeersveiligheid was weliswaar goed geregeld, maar daarvoor kwamen problemen met de sociale veiligheid in de plaats. Op de fiets of lopend mocht je niet anders dan door het groen, waar nogal eens vervelende dingen gebeurden.
Ik weet dat in de oorspronkelijke ontwerpen van de Bijlmermeer meer variatie was en dat deze is verdwenen om redenen van geld en bouwefficiëntie. Maar ook met variatie was het om een zeer groot aantal woningen van hetzelfde type in overwegend dezelfde bouwvorm gegaan.

In het begin waren er veel enthousiaste reacties op het ontwerp van de Bijlmermeer. Bij de professionals uit de stedenbouw, in de pers, en ook bij mensen die op zoek waren naar een woning. Er waren best wat mensen, die bewust voor een huis in de Bijlmermeer kozen. Maar kennelijk bij lange na niet genoeg om alle woningen te vullen. Er ontstonden al snel verhuurproblemen, waardoor ook mensen die elders moeilijk aan de bak kwamen, voor een huis in de Bijlmermeer in aanmerking konden komen. Tot ook deze mensen allemaal aan een woning waren geholpen. Vanaf dat moment begon de leegstand op te lopen en was het duidelijk dat naar verhouding maar weinig mensen in de Bijlmermeer wilden wonen.

Voor wie was de Bijlmermeer nu bedoeld? In eerste instantie werd gedacht aan de mensen die uit de oude wijken weg moesten voor de stadsvernieuwing. Dat waren destijds heel goedkope woningen, waar mensen met een laag inkomen woonden. Toen bleek dat de huren van de Bijlmer flats voor deze mensen te hoog zouden worden, werd gekeken naar mensen uit de middenklasse in de Westelijke Tuinsteden. Als zij naar de Bijlmermeer zouden verhuizen, dan konden de mensen uit de oude wijken in hun huizen gaan wonen, was de redenering. Maar, dat gebeurde niet zoals het gemeentebestuur zich had voorgesteld. Tussen 1965 en 1995 verlieten weliswaar veel middenklassers de Tuinsteden, maar zij kozen voor een huis met een tuin in Amstelveen, Purmerend, Hoorn, Lelystad of Almere.

Voor het ontwerp van de Bijlmermeer is veel onderzoek gedaan. Dat was normatief onderzoek. Hoeveel woningen kan je in een bepaald type en vorm bouwen? Hoeveel mensen gaan daar wonen? Hoeveel groen past daarbij? Wat voor winkels en in hoeveel oppervlakten moeten er komen? Hoeveel scholen, hoe groot en van welk geloof? Met hoeveel parkeerplaatsen moeten we rekening houden? Hoe organiseren we het openbaar vervoer? En zo over nog veel meer van wat in een woonwijk hoort.

Helaas is er nooit onderzoek gedaan naar wie in een wijk als de Bijlmermeer wil wonen. Er zijn slechts aannamen gedaan: eerst de mensen met een laag inkomen uit de oude wijken en daarna de middenklassers uit de Westelijke Tuinsteden. Er werd gewoon van uitgegaan, dat de woningen toch wel vol kwamen, want dat was na de Tweede Wereldoorlog altijd overal het geval geweest. Onder invloed van een enorme woningnood. En die woningnood begon nu net aan het eind van de jaren 1960 minder te worden. Zeker voor mensen uit de middenklasse. Zij kwamen in de gelegenheid om zelf een woonplek te kiezen en niet afhankelijk te zijn van de wachtlijsten van gemeentelijke woningdiensten. Met hen kwam de massale keuze van mensen uit de middeninkomensgroepen voor een eengezinshuis met tuin op gang. Omdat in Amsterdam maar in beperkte mate in eengezinshuizen werd voorzien, koos men voor de forensenplaatsen buiten de stad.

Ook toen bleek dat de flats in de Bijlmermeer niet populair waren bij de beoogde doelgroep is naar mijn weten niet onderzocht waarom men wegbleef. Wat ik hierboven schrijf, over de verhuizingen van de middenklassers, is feitelijk gebeurd en wellicht duidelijker dan de uitkomst van welk onderzoek dan ook. Maar, als die mensen ook was gevraagd of ze buiten de stad gingen wonen omdat ze het huis-met-tuin in Amsterdam niet konden vinden of omdat er ook andere reden waren, had in het ontwerp van de Bijlmermeer wellicht nog bijgestuurd kunnen worden. In het begin van de jaren 1970 was daar nog alle gelegenheid voor. De Bijlmermeer had in die tijd nog een goede naam. Later zijn de sociale problemen ontstaan en snel groter geworden. Toen was het te laat en had heel Nederland zijn oordeel over de Bijlmermeer en wilden er nog maar weinig mensen uit vrije keuze wonen.

Helaas schenkt ook Daan Dekker in zijn boek nauwelijks aandacht aan het waarom van de verhuurproblemen en de leegstand in de Bijlmermeer in de periode vlak na 1970. Hij schrijft ergens dat het aanbod van de hoogbouwflats groter was dan de vraag, maar houdt het er bij. Ik vind dat jammer, omdat juist dit boek de gelegenheid bij uitstek was om antwoord te geven op die vraag.

Mijn punt van kritiek op het werk van Daan Dekker neemt niet weg dat ik het boek De Betonnen Droom met plezier heb gelezen. Daan heeft grondig onderzoek gedaan, tot in Indonesië en Thailand aan toe. De informatie die hij zo heeft verzameld is indrukwekkend. Als iemand, die eerst niet thuis was in planologie en stedenbouw, maar slechts bij toeval geïnteresseerd is geraakt in de Bijlmermeer, geeft hij een goede indruk hoe het met deze Amsterdamse wijk is vergaan. Van het ontwerp, via de bouw, tot aan (soms tot en met) de sloop. En het boek is goed geschreven. Non-fictie, maar het leest soms als een roman. Alleen dat onderzoek naar de verhuurproblemen. Daarover wil ik graag een keer met Daan bij een kop koffie van gedachten wisselen.

Tot slot. Wat heeft dit verhaal met Zuid-Afrika te maken? Helemaal niets. Ik vond het gewoon leuk om eens over iets anders te schrijven.

Waar is het leuker om te wonen? Zuid-Afrika of Nederland?

Als je in december voor het eerst in Nederland bent, lijkt het of het daar bijna altijd mistig en ietwat druilerig weer is. En dat er alleen maar kerstmuziek wordt gespeeld. Maar, dat is natuurlijk niet zo. En wij waren afgelopen december ook niet voor het eerst in Nederland. Sterker, we komen er vandaan.

Eerst mijn verontschuldigingen naar al die mensen, die niet wisten dat we er waren. Weet, dat als familie en vrienden horen dat je er bent, ze je ook allemaal willen zien. Dat is in een tijd van drie weken helaas niet te doen. Als je tenminste ook nog iets anders wilt dan familie en vrienden opzoeken. Maar weet ook dat de volgende keer, dat wij er zijn, anderen het weer niet weten. Dan kunnen jullie ons zomaar op bezoek krijgen.

Natuurlijk is het fijn om weer even in je eigen land te zijn. Als je vanuit een warm Zuid-Afrika komt en daar na een paar weken weer terugkeert, maakt het Nederlandse weer niet zoveel uit. Behalve dan, dat de helft van je koffer in beslag wordt genomen door een winterjas. En de muziek? Ach, ook in Zuid-Afrika luisteren en kijken we naar de Nederlandse radio en televisie. Dus die kerstmuziek zetten we ook hier geërgerd af.

In Nederland loop je gemakkelijk een museum binnen, er is altijd wel één in de buurt. Dat geldt ook voor het theater. Toen we nog in Nederland woonden, gingen we geregeld naar voorstellingen. Nu nooit meer. De afstanden zijn te groot, zeker als je in het donker moet rijden.

Het openbaar vervoer in Nederland is perfect. Treinen, metro’s, trams en bussen rijden zo goed als altijd op tijd, zijn modern en schoon. Met de ov-chipkaart stap je zo over van de ene bus op de andere metro. Alle kosten worden automatisch van je bankrekening afgeschreven. In Zuid-Afrika heb je dat allemaal niet of nauwelijks. Je doet hier alles met de auto, ook de ritjes die je in Nederland met de fiets zou doen.

Files vormen in Nederland één van de nationale hoogtepunten. Om met Herman Finkers te spreken: ik weet niet wat de mensen er aan vinden, ze staan er zelfs voor in de rij! Nu is het niet zo, dat Zuid-Afrika filevrij is. Ook op de toegangs-wegen naar Kaapstad kan je rustig één tot twee uur langzaam rijdend doorbrengen. Maar, buiten de grote steden is het filefenomeen onbekend.

Ik ben in Nederland bij verkeerscontroles nog nooit op mijn rijbewijs gecontro-leerd. Wel enkele keren op alcoholgebruik. In Zuid-Afrika wordt intensief gecontroleerd op het hebben van een rijbewijs, waarbij hele wegen worden geblokkeerd en iedereen keurig langs oom agent mag rijden. Alcoholcontroles heb ik hier nog niet mogen meemaken.

Het verkeer op de weg lijkt in Zuid-Afrika chaotischer dan in Nederland. Hier rijden nogal wat mensen met een dash camera om idiote manoeuvres te registeren (zoals je ze ook wel uit Rusland ziet). Maar hufterig rijden kunnen ze in Nederland ook. We zagen bijvoorbeeld op een snelweg met een rijbaan van vijf rijstroken iemand (kaal geschoren hoofd in een ouder type Golf) van de meest linkse strook diagonaal over de andere stroken naar de afslag gaan.

Kortom, waar is het nu leuker? Zuid-Afrika of Nederland? Bijna altijd mooi weer of gemakkelijk naar het theater kunnen? Weinig files of een perfect openbaar vervoer? Alles met de auto of ook met de fiets? Controle op je rijbewijsbezit of op je alcoholgebruik? Hufterige automobilisten of hufterige automobilisten? Wij weten het nog niet.